Het hout dat gebruikt werd voor de bouw van de tabernakel, het huis van God, was acaciahout (Exodus 25:5). Het woord ‘acacia’ is een gestekelde boom.  De takken van de acaciaboom zitten vol met doornen, die alle kanten opsteken. Een acaciaboom groeit niet recht omhoog, maar heel warrig, en het hout is keihard (harder dan eikenhout). Daarom is het voor een timmerman heel moeilijk om dit hout te bewerken en er rechte planken en stokken voor de tabernakel van te maken.

Wij lijken van nature op acaciabomen. Wij kunnen onze stekels naar alle kanten opzetten, waarmee we anderen pijn doen om onszelf te beschermen. En ook wij hebben dat kromme in ons waarin we hard geworden zijn. Maar als wij ons leven in de handen van de Heer leggen, heeft Hij er alles voor over om dat scherpe van ons af te nemen, ons geduldig te schaven en te vormen, zodat wij gebruikt kunnen worden voor de bouw van Zijn huis. Daar wordt Hij geëerd!

 

 

Maar Hij is om onze overtredingen verwond,

om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.

 

Jesaja 53:5

 

???